Hij balanceerde op de rand. Zijn voeten vóór elkaar, het richeltje van zijn schoen precies op de gele lijn. Genietend blies hij de rook precies uit het vierkant. Belachelijk, vond hij het. Een stoepkrijtkooi waarin alle rokers zich moesten verzamelen, een bizarre arbitraire regel. Hij rebelleerde, weliswaar stilletjes, maar toch. Een rokersruimte met glazen wandjes en een dak begreep hij nog, een soort hotbox, waar de rook binnen diende te blijven. Dit voelde voor hem als paffertje pesten. Rokertje kijken. Een soort schandpaal, schavot, bedoelt om hem zodanig te generen dat hij spontaan geen zin meer had in een sigaret. Met een venijnige klik stak hij zijn volgende vast op. Opstandig keek hij om zich heen terwijl hij zich langzaam verplaatste naar de lange kant van de vierhoek. Met een demonstratief gebaar tikte zijn as hij niet in de asbak, maar op het hoekje van het rookgebied, nét over de grens.