Ze treinden elke dinsdagochtend samen. Op een dag hadden ze een praatje gemaakt op het perron, sindsdien wachtten ze op elkaar bij de trap. Ze hadden alletwee hun eigen kleine thermoskannetje mee, Nel koffie, zij thee. Ze  wist eigenlijk helemaal niet of Nel op de andere dagen ook deze trein pakte. Nu ze erover nadacht wist ze niet eens zeker wat Nel precies deed. Op de een of andere manier hadden ze het altijd over iets wat ze op het journaal hadden gehoord of een of andere betekenisloze anekdote over het ontbijt. Toch had ze het idee dat ze Nel goed kende. De laatste tijd vroeg ze zich wel eens af of Nel het net zo gezellig vond om samen te treinen, Nel had de gewoonte opgedaan om één oortje met muziek in te houden tijdens hun gesprek, net als haar oudste zoon. Gisteravond had ze een detective gekeken over een dame die stiekem voor de CIA werkte, ze had meteen aan Nel moeten denken. Misscchien was zij wel haar dekmantel. Ze had overwogen Nel eens te volgen, maar uiteindelijk besloot ze toch dat niet te doen. In het onwaarschijnlijke geval dat haar theorie klopte wilde ze niet Nel’s dekmantel in gevaar brengen, of erger nog, hun wekelijkse rendez-vous verstoren.